Stefan Perceval, Minister van Dromen

“Lange tijd heb ik in de kop van het peloton gefietst: ik heb bij alle grote huizen en gezelschappen gewerkt en succes geoogst. Maar het daagt me allemaal niet meer uit”. Stefan Perceval staat dan weer wel te springen om te luisteren naar wat er écht in de mensen omgaat tijdens de Zomeracademie, “de pre-afdeling van het Ministerie van Dromen”.

Jouw atelier heet ‘Schrijven om te bloggen, spelen en vertellen’. Zegt dat het helemaal?

Stefan Perceval: “Ja. Eigenlijk zijn we in die workshop vooral bezig met jezelf onszelf te zijn. We kijken hoe we ons schriftelijk kunnen uiten en hoe we dat datgene dat we willen vertellen daarna dan eventueel op een scène te kunnen tonen of op het internet te kunnen delen. Ik probeer steeds aan de slag te gaan met thema’s die uit de groep zelf komen. Vorig jaar heb ik gemerkt dat het heel wat losweekt in de mensen wanneer je echt naar hen luistert. Wat ze vertellen hoeft daarom niet altijd waar gebeurd te zijn, we gaan immers ook op zoek naar wat fantasie kan zijn, zonder dat we echter de kern van ons verhaal verliezen. Dat is geen gemakkelijke evenwichtsoefening. De Zomeracademie biedt een fijne vrijplaats om hiermee te experimenteren, zonder dat daarachteraf goedkope recensies of oordelen over gevormd moeten worden.”

Hoe pak je jouw coaching aan?

“Toen ik nog op de Studio Herman Teirlinck zat, zag ik het na de eerste dag al helemaal niet meer zitten. Na de eerste week wilde ik zelfs stoppen met die studies. Ik had daarvoor hotelschool gedaan, en had al gesolliciteerd om op een cruise te werken in de Caraïben, en ik dacht daar een jaar of tien geld te gaan verdienen. Toen ik zat te huilen – want je huilt veel tijdens zo’n opleiding –, kwam Wannes Vandevelde binnen, en hij vroeg wat er met mij aan de hand was. Ik zei dat ik het niet meer zag zitten omdat al die andere mensen alles konden: dansen, zingen, ze spraken vlot Engels en wisten alles over de Grieken… Terwijl ik mààr hotelschool gedaan had. Wannes zei dat ik daar niet mee bezig moest zijn, maar wel met ‘wat er achter het muurtje van die mensen zit’. Toen begreep ik die uitspraak nog niet zo goed, maar ik heb toch maar verder gestudeerd." 

“Later ging ik dan schrijven en spelen voor Victoria, Toneelhuis en HETPALEIS. Uit een publieksonderzoek van HETPALEIS bleek dat mijn teksten heel goed aansloegen bij jongeren uit het beroepsonderwijs. Toen kwam er de vraag of ik een productie wilde maken met enkele jongeren van een beroepsschool om hen te enthousiasmeren voor wat theater zou kunnen zijn. Ik heb de opdracht aanvaard, met de opmerking van Wannes Vandevelde in mijn achterhoofd. Je moet durven kijken naar wat er achter de façade van mensen zit. Van die gasten uit het beroepsonderwijs werd altijd gezegd dat ze niets konden. Ik vroeg aan die gasten hoe het met hen ging, wat hun dromen en verlangens waren. Dat zijn vragen die tegenwoordig niet of nauwelijks meer gesteld worden."

"Sindsdien is dat de basis van al mijn werk: je moet curieus zijn naar wat er in de mensen zit. Dat is au fond ook wat je als acteur doet: je krijgt een rol, gaat zoeken hoe oud die persoon is, waar hij vandaan komt, en waarom hij net die woorden op dat moment zegt. Vanuit die acteursgedachte werk ik dus ook met de mensen in mijn workshops, of dat nu op de Zomeracademie of op een school is.”

Ga je in jouw atelier actief op zoek naar cross-overs met andere disciplines?

“Ik heb gemerkt dat de Zomeracademie nogal intensief is. Het is soms te zwaar om te cross-overen met andere groepen. Iedereen zit een beetje in zijn eigen cocon, en dat is niet slecht, denk ik. Al ben ik wel altijd zeer benieuwd naar wat anderen allemaal aan het doen zijn. Omdat ik zelf een speler ben, wilde ik vorig jaar graag ook eens gaan kijken bij het toneelatelier. Of soms hoor je iemand in het lokaal ernaast heel schoon mooi cello spelen, en begin je bijna vanzelf te denken dat als je die cello perfect zou kunnen samenbrengen met onze teksten… Maar dan ben je alweer heel resultaatgericht bezig. De Zomeracademie is er net in de eerste plaats om een week te klooien en niet met een toonmoment in je hoofd te zitten.”

Vorig jaar was jouw eerste keer op de Zomeracademie. Ga je dit jaar sommige zaken op een andere manier aanpakken?

“Ik heb nooit een plan. Nooit. Ik doe veel projecten in het onderwijs, en daar worden ze helemaal onnozel van mij. Geef mij een lokaal, mensen, en een muziekinstallatie, en we gaan aan de slag. Ik vind het belangrijk dat alles uit de mensen zelf komt, en dat ik hen niet zeg wat ze moeten doen. Natuurlijk moet je ze wel uitdagen. Het is ook geen therapie. Het zijn geen zweefteef-toestanden waarbij we met bloemen en witte linnen broeken achter elkaar aanlopen, hé (lacht). Het is net hard werken en wroeten, zeven dagen lang. Ik neem de mensen heel erg serieus, en dat voelen ze. Het grappige is dat ik mezelf helemaal niet serieus neem. Ik ben maar een soort van pratende vuilbak (lacht). Er zijn van die regisseurs die vanalles over zichzelf vinden, maar dat kan ik niet.”

“Mensen zijn het niet meer gewoon om aan elkaar te vertellen waar ze mee bezig zijn. Het zou raar zijn als je op een tram aan de vrouw voor je zou vragen hoe het met haar gaat of waar ze naar verlangt. Toch geloof ik dat we een betere maatschappij zouden creëren indien er zoiets zou bestaan als het Ministerie van Dromen in Brussel. Iedereen wordt daar één keer per jaar op uitgenodigd, en er zitten allemaal ambtenaren die zijn opgeleid om naar u te luisteren. Stel dat het jouw droom is om konijnen te fokken in de Ardennen, of kippen met een rode kop? Wel, dan geeft zo’n ambtenaar jou een adres van een boerderij die je kan helpen, en krijg je de opdracht om je daar in te specialiseren. Als je het jaar erna terugkomt, en je hebt je droom nog niet verwezenlijkt, komen er sancties. Maar er komen geen sancties meer omdat je ’s morgens niet uit je bed geraakt, of geen zin hebt om te gaan werken. Daarom is zo’n week op de Zomeracademie net zo goed, omdat je hier echt leert luisteren naar elkaars dromen.”

“Vorig jaar zaten er twee mensen bij mij in het atelier die nu allebei hun eigen voorstelling aan het maken zijn. Ik probeer hen hierin te coachen. Jasmien komt trouwens haar voorstelling ook spelen tijdens de komende Zomeracademie. Zij is iemand die duidelijk met een verhaal zat, maar dat niet kwijt kon. Ze schreef goed en maakte wel liedjes, maar ze werd niet gestimuleerd om daar echt verder in te gaan. Ik zei haar dat ze me een datum moest geven waarop ze haar voorstelling zou opvoeren, en dat ik die dan in dagen ervoor zou komen coachen. Dirk, een andere deelnemer, heeft zelfs na De Zomeracademie een sabbatjaar genomen om zijn project waarvan hij hij al jarenlang droomde, eindelijk te realiseren.”

“Je kan natuurlijk zeggen dat er honderd in een dozijn zijn zoals Jasmien en Dirk, maar dat is een typisch Vlaamse reflex om je echte dromen niet na te jagen. Iedereen betrapt zich wel op de kneuterige en bekrompen gedachte van ‘doe maar gewoon, dat is al gek genoeg, zorg maar dat ge een job hebt en een pree’ke’. Tijdens De  Zomeracademie kan je daar even van af: de mensen die daar rondlopen zijn voor een week bevrijd van hun jobverplichtingen. Dat is een gevoel dat ik zelf niet ken, omdat ik heel de tijd moet rondfietsen en mijn ideeën aan de man te brengen en moet kijken en moet creëren. Als artiest ben je dat gewoon, het is immers je job, maar voor de mensen die nog aan de bange kant van het leven zitten, is het vaak een openbaring om zich een week lang te kunnen focussen op wat ze willen vertellen en waar ze naar verlangen.”

De laatste tijd doe je vrij veel sociaal-artistieke projecten.

“Ik heb bij alle grote huizen en gezelschappen gewerkt. Maar het daagt me allemaal niet meer zo uit. Ik wil niet meer in opdracht een voorstelling over bijvoorbeeld de seizoenen maken. De komende tijd ga ik wat kieskeuriger zijn in de voorstellingen die ik maak en wil ik vooral veel sociaal-artistieke projecten doen. Men begint stilaan in te zien, dat mensen daar echt beter van worden. Ik kan ondertussen bijna honderd verhalen vertellen van mensen die ik ben tegengekomen en die op een plek zaten waar ze niet thuishoorden. Zo was er een jongen die zwaar autistisch was en niet meer sprak. Maar door hem gewoon te vragen waar hij mee bezig was, is hij opnieuw beginnen praten, elke week luider en luider. Uiteindelijk heeft hij zelfs de balkonscène van Romeo & Julia gespeeld. Wat bleek: die jongen zat al vier jaar in een instelling, en had verdriet omdat zijn papa was gestorven. Als acteur en als mens kan ik me heel goed voorstellen hoe het voelt om zoveel verdriet te hebben. Maar iemand moest gewoon eens naar hem luisteren, en vragen waar hij mee bezig was. Zo beschouw ik mijn atelier op de Zomeracademie ook echt als de pre-afdeling van het Ministerie van Dromen.”

Filip Tielens