Interview Bob Takes

Nieuw dit jaar op De Zomeracademie is het atelier Monumentale Kunst, begeleid door allround beeldend kunstenaar en vormgever Bob Takes. In de tuin van De Veerman, waar Bob zijn atelier heeft, hebben we een gesprek onder de Magnoliaboom over grote dromen, zeilen over oceanen en tentoonstellen in China.

Wat mogen de deelnemers verwachten bij het atelier Monumentale Kunst? Moet de kunst monumentaal groot zijn of vooral monumentaal goed?

Bob Takes: “Het moet vooral monumentaal goed zijn (lacht). De hoeveelheid meters speelt geen rol. Het is de impact van het beeld dat ik belangrijk vind: de impact op de ruimte, op je gemoed, op je ‘visueel plezierigheidsgevoel’. Dat is voor mij ‘monumentaal denken’. Of het kunstwerk dat je maakt een lichtobject, een fotoprojectie of een beeldhouwwerk is, maakt niet zoveel uit.”

Hoe zal je te werk gaan in jouw atelier?

“Ik ga geen opdrachten geven, maar vooral veel vragen stellen aan de deelnemers. Ik ben ontzettend nieuwsgierig. Wat iemand in het verleden al gemaakt heeft en waar iemand nu naartoe wil, dat wil ik graag te weten komen tijdens deze gesprekken. Of een ruimtelijke uitwerking van een idee via Photoshop, met een één-op-één-maquette of op ware grootte gemaakt wordt, maakt minder uit.

Kende je De Zomeracademie al?

“Ik ben al enkele keren op de toonmomenten geweest. Daar viel me telkens op hoe hard de deelnemers gewerkt hebben tijdens de week. Ik hoorde verhalen dat sommigen tot wel twintig uur per dag zo toegewijd aan het werk zijn. Die gedrevenheid en overgave trekt me erg aan.”

Wat verwacht je van de deelnemers die zich inschrijven?

“Dat ze tot hele mooie dingen komen. De meeste mensen die voor dit atelier kiezen, zullen al wel een idee hebben wat ze willen maken. Maar het is ook prima als je zonder plan aan komt spoelen. Er is geen voorkennis vereist, alleen een grote goesting om er volledig voor te gaan.”

Is the sky voor jou altijd the limit?

“Ik heb alleszins geen last van klein denken. Als deelnemers linoleumsnedes willen maken van vier bij zes meter, dan moet dat kunnen. Dan kijken we wel of er een grote asfaltwals kan langskomen om  de afdrukken te maken, in plaats van zo’n klein rollertje te gebruiken (lacht). Laatst was ik in gesprek met iemand over een plan dat ik heb om met stoffen te werken. En ik denk dan meteen aan de catwalks van Parijs (lacht). Ook als kind droomde ik al groots. In mijn carrière heb ik gemerkt dat de enige drempels om een monumentaal idee uit te voeren tijd, budgetten en toestemmingen zijn. Maar verder zijn er geen limieten aan wat mogelijk is!”

Wat is het meest monumentale werk dat je ooit maakte?

“In kilometers gesproken is het zeker een project dat ik in Amsterdam maakte, over hoe een polder een deel van de stad kan worden. Osdorp was een buitenwijk die nu bij Amsterdam hoort. Ik liet over een afstand van drie kilometer paaltjes slaan tussen Amsterdam en Osdorp. Deze paaltjes zakten steeds dieper de grond in. Dat was behoorlijk monumentaal.”

Je bent in heel wat kunstdisciplines thuis. Hoe zou je jezelf omschrijven?

“Als visual artist, al kan je dat moeilijk naar het Nederlands vertalen want dan kom je meteen bij ‘beeldend kunstenaar’ uit. Ik vertrek altijd vanuit een idee en bepaal pas daarna het medium en de uitwerking. Soms wordt dit dan een sculptuur in staal en soms een scenografie voor een toneelstuk, zoals in de voorstelling ‘Dag Dag’ die ik vorig seizoen in HETPALEIS maakte.”

Zijn er bepaalde thema’s en vormen die in al jouw werk terugkeren?

“Ik studeerde grafisch ontwerp aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Het grafische komt in al mijn werk terug: heldere vormen, een klare beeldtaal. Monumentale eenvoud dus (lacht). Wat thema’s betreft ben ik de laatste jaren erg geïnteresseerd in oceanen. Ik heb vijf jaar met een zeilschip over de oceanen gereisd. De zee heeft een heel grote indruk op me gemaakt. In mijn sculpturen in staal komen dan ook vaak oceanen voor. Begin vorig jaar ben ik met een containerschip van Rotterdam naar Zuid-Amerika meegereisd, om opnieuw een goed beeld te krijgen van de oceaan, want mijn laatste zeiltocht dateerde alweer van vijftien jaar geleden. Vliegtuigen kwamen vroeger ook vaak voor in mijn werk.”

Oceanen en vliegtuigen… je bent duidelijk een wereldveroveraar.

“Ik blijf inderdaad niet graag in m’n kamertje werken, ik wil graag de wijde wereld intrekken.”

Maak je dan liever werk voor de openbare ruimte of voor tentoonstellingen binnen?

“Ik vind het interessanter als een kunstwerk buiten kan staan en mensen er toevallig tegenaan lopen. Dat werkte heel goed met de Stadsgedichten van Joke Van Leeuwen in Antwerpen waarvoor ik de vormgeving deed. In de Sint Anna-tunnel tussen beide oevers hadden we grote letters geplakt die een lang gedicht vormden, 750 meter heen en 750 meter terug. Veel voorbijgangers werden toen voor het eerst geconfronteerd met poëzie, op weg naar het werk of naar school. Er waren kinderen die het hele gedicht scandeerden telkens ze er voorbij fietsten, heerlijk om te zien.”

Je was in elke Nederlandse huiskamer aanwezig door de generieken die je voor de Nederlandse omroep VPRO maakte.

“Het bijzondere was dat ik echt carte blanche kreeg. Ik betwijfel of dit tegenwoordig nog zou kunnen. Nu zijn er netmanagers en wordt alles in vergaderkamers bepaald en op publiek getest. Ik mag er niet aan denken dat ik een monumentaal beeld zou maken dat eerst op publiek getest zou moeten worden.”

Hoe ben je eigenlijk in België terechtgekomen?

“Ik ben een cultureel vluchteling. Ik woon en werk nu bijna tien jaar in België. Tien jaar geleden begonnen in Nederland de bezuinigingen bij de openbare omroep en in de culturele sector. Collega’s liepen met lange gezichten rond en klaagden dat ze geen opdrachten meer kregen of amper werk vonden. Ik kwam toen wel eens in Antwerpen, waar een veel bruisendere sfeer hing. Op een maand tijd ben ik verhuisd. Ik heb er nog geen moment spijt van gehad, ook al heb ik mijn carrière opnieuw moeten lanceren omdat niemand me kende in België. Door in Antwerpen, o.a. met de Stadsgedichten, in de openbare ruimte te werken, leerde ik de stad en de instellingen snel kennen.”

Vorig jaar exposeerde je in China. Hoe was dat?

“Ik was gevraagd als artiest in residentie in een mooie plek aan zee in het zuiden van China. Ik kreeg een appartement en een atelierruimte om drie maanden in te werken. Aan het einde van die residentie had ik er een solotentoonstelling. Om eerlijk te zijn: ik zou het niet graag nog eens opnieuw doen. China is een heel moeilijk land om te werken. Qua materialen is er bijna niets te krijgen, afspraken maken is bijna onmogelijk en bijna niemand spreekt er Engels… Ik wilde naar een dorp een heel eind verderop waar een ‘master’ in houtsnijkunst woonde die ik graag wou ontmoeten. Met het openbaar vervoer was het drie dagen reizen, dus dacht ik een auto te huren, maar het internationale rijbewijs was er niet geldig. Dus haalde ik een Chinees rijbewijs waar ik een theoretisch examen voor moest afleggen. Het bezoek aan die ‘master’ bleek uiteindelijk niet wat ik verwacht had, maar ik heb nu toch maar mooi een Chinees rijbewijs voor de komende tien jaar (lacht). Dat behalen was natuurlijk al een kunstproject an sich.”

Filip Tielens